GESCHIEDENIS

Op Pinksterdag, 17 mei 1209, werd onze franciscaanse Regel door paus Innocentius III mondeling goedgekeurd; deze datum geldt als de oprichting van de orde.  Op 29 november 1223 werd de Regel in zijn definitieve vorm door paus Honorius III in een bul goedgekeurd; het document wordt in ons "Sacro Convento" van Assisi bewaard.

Op het eerste generale kapittel, in de ware zin van het woord, op Pinksteren 14 mei 1217, werden twaalf provincies, in en buiten Italië, opgericht.  Daaronder was er de Franse provincie met Pacificus uit de Marken als eerste provinciaal.  Deze uitgestrekte 'Francia' werd twee jaar later opgesplitst in de provincies van Provence, Aquitanië en Parijs.  Vanuit de Parijse provincie werden enkele jaren later stichtingen gedaan in het Graafschap Vlaanderen en het zuidelijk, Franstalig, gedeelte van het huidige België.  Nog later zullen verschillende custodies, juridisch-administratieve indelingen van een provincie, van de grond komen.  De kloosters van ons land vielen onder de custodies van Artesië, Vlaanderen en Luik.

In 1217 kwamen ook medebroeders naar het Duitse Rijk; deze zending werd echter een mislukking.  Maar in 1221 zullen ze wel doorstoten; de eerste provinciaal van de "provincia Teutonica-Germaniae" was Caesarius van Spiers.  In 1230 was er een verdeling van deze ruime provincie in een Saksische en Rijnlandse.  In 1239, alleszins vóór 1264, werd de "provincia Rheni" opgesplits in een "provincia Argentinensis, -Alemaniae Superioris" en een "provincia Coloniensis, -Alemaniae Inferioris".  Vanaf het einde van het tweede decennium van de dertiende eeuw werden er kloosters gesticht in het Dietssprekende deel van de Nederlanden; in het Graafschap Vlaanderen waren er echter reeds stichtingen vanuit de Parijse provincie.  De vestigingen zullen later vallen onder de custodies van Brabant, Deventer, Holland en Keulen.

Vóór de dood van vader Franciscus in 1226 zouden er al enkele kloosters geweest zijn in de Nederlanden, zoals in Lens en Aatrecht, Namen en Gent.  De uitbouw van een dicht franciscaans net was praktisch omstreeks 1250 voltooid.  Op het einde van de dertiende eeuw waren er in de ganse Nederlanden een dertigtal kloosters met Minrebroers, Grauwbroeders, Barrevoeters, Freremineuren; van Brugge en Bergen tot Utrecht en Groningen, van Luik en Dinant tot Brussel en Leuven.  Na deze vlugge en ruime expansie van zowat een eeuw kwam er een stagnatie.

Bij de dood van Franciscus was de broederschap nog in volle ontwikkeling en bleven er tevens verschillende onduidelijkheden in de levensregel.  Enkele voorbeelden: plaats en functie van de wetenschap, betekenis en verplichtend karakter van de armoedepraktijk, bevoegdheden van een generale minister, een generaal kapittel, een provinciaal kapittel, een provinciale en locale overste.  Pauselijke verklaringen of aanvullende wetgeving, zoals constituties, bleken niet adequaat te zijn om een serene ontwikkeling te bevorderen.  Er kwamen dan ook hardnekkige meningsverschillen en grote spanningen; ze hebben later geleid tot onverkwikkelijke conflicten en afgetekende partijen.

Einde dertiende, begin veertiende eeuw traden in Midden-Italië en Zuid-Frankrijk de zogenaamde spirituelen op.  Zij bleven een minderheid, woonden eerder in afgelegen kluizenarijen en legden meer de nadruk op de armoede in haar uiterlijk, materieel aspect, dan op de prioritaire waarde van broederschap.  Zij namen het Testament van Franciscus tot letterlijke levensnorm, verplicht op zonde; zij verkozen dat document niet te zien als een boeiende inspiratiebron, noch de veilige uitleg van de paus te aanvaarden.  Zij waren eerder gericht naar het verleden, negeerden de realiteit van de evolutie bij Franciscus en in de orde, in kerk en samenleving.  Zij verkozen een statische trouw aan wat zij meenden het oorspronkelijk ideaal van Franciscus te zijn.  Vooral na de dood van de generale minister Bonaventura in 1274 werden hun standpunten verhard en legden zij erg éénzijdige en intolerante accenten.  De spirituelen werden dan ook formeel veroordeeld door paus Johannes XXII in 1323.

Tegenover deze spirituelen stonden de broeders van de gemeenschap, de broeders in de conventen.  Zij kwamen niet alleen als gelijkgemotiveerden samen (convenire, samenkomen) in kapittels, maar zij beleefden de broederschap samen in de grotere kloosters van de steden; zij woonden samen (conventus, klooster).  Reeds vanaf 1250 werd deze denk- en doerichting zo aangeduid: bewoner van een klooster, bedienaar van een kloosterkerk, religieuzen, die doen aan apostolaat, onderbouwd door studie.  De konventuelen legden méér de nadruk op het zelf inoefenen en vóórleven van broederschap; op het zich beschikbaar stellen voor de vragen van de Kerk; het ingaan op de pastorale eisen van tijd en plaats.  Zij zagen in zo'n vormgeving van hun bestaan meer mogelijkheden tot een geregeld religieus leven, tot een meer verzorgde liturgie (waardering voor de muziek), tot een betere vorming en opleiding (waardering voor de wetenschap), tot een goed onderbouwde pastoraal.  Deze franciscaanse religieuzen waren eerder naar de toekomst gericht, wilden attent zijn voor de tekenen van de tijd en aanvaardden in functie daarvan ondersteunende privileges voor de zich ontwikkelende orde (vandaar de naam 'gaudentes' en soms bij tegenstanders, 'rekkelijken').  Bij hen vond men een bredere en meer milde interpretatie van de Regel, een open en soepel omgaan met het franciscaans charisma.  Zij verkozen een creatieve en dynamische trouw aan het oorspronkelijk elan van vader Franciscus.

De middeleeuwse confraters zijn vooral langs de handelswegen naar onze gebieden gekomen; deze waren toen één van de meest bevolkte van Europa; zij zagen hier kansen voor een wijdvertakt apostolaat.  Maar in de veertiende en vijftiende eeuw was de epische tijd van de orde, het vurig, fris en nieuw begin voorbij.  Van de andere kant waren er de herfstige middeleeuwen met de gesel van de Zwarte Dood, het kerkelijk schisma, de gevolgen van de Honderdjarige Oorlog.  Het was niet moeilijk om het zaad van lauwheid, verslapping en allerhande misbruiken te zien kiemen in zo'n ongunstige ploeggrond, zoals trouwens bij andere religieuzen.  Er bleven toch tegelijk allerhande tekenen van vitaliteit, zoals trouwens de talrijke vernieuwings- en hervormingsbewegingen aangeven.  Er bleven "fratres minores conventuales non reformati", elders en bij ons.  Er waren ook "conventuales reformati" (bij ons bij voorbeeld in Sint-Truiden, vanaf 1452 of 1456; in Groningen vanaf 1461).  Een grotere groep was die van de koletanen, vanaf 1412, vooral in Duitsland, Frankrijk en de Nederlanden (Sint-Truiden, einde vijftiende eeuw; Groningen, begin zestiende eeuw).  Deze richting wenste een hervorming door te voeren in afhankelijkheid van de hogere oversten en deze waren konventuelen.  Maar de grootste groep, in en buiten de Nederlanden (hier vanaf midden vijftiende eeuw), was echter die van de observanten.  Langs een eigen substrucuur bleven zij ook uiteindelijk afhankelijk van de konventuelen.  De Regel werd bij hen vooral gezien als een geheel van geboden en verboden, van voorschriften; aan die wetsvoorschriften beantwoordde de wetsonderhouding, -observantie.  Deze richting deed in onze gewesten 29 nieuwe stichtingen en verder, goedschiks kwaadschiks, inpalmingen, overnamen van bestaande kloosters.

Door de fameuze bul, "Ite vos", van 29 mei 1517, werd de juridische scheiding opgelegd door paus Leo X tussen konventuelen en observanten.  Naar deze laatste groep moesten bovendien, van Rome uit, alle hervormingsgroepen overgaan, zoals die van de koletanen.  Maar ook in onze gewesten gebeurde de uitvoering daarvan voor sommige kloosters slechts enkele decennia na 1517, zoals voor Doornik, Nijvel en Tienen, Kamerijk, Deventer, Harderwijk en Roermond.  Uiteindelijk konden de konventuelen zich alleen handhaven in de kloosters van Luik, Hoei en Dinant.  Na enkele overgangsmoeilijkheden hebben zijn in 1558 daarmee de Luikse Sint Hubertusprovincie opgericht; ze bestond tot aan de Franse Revolutie; de eerste provinciaal heette Jean de Rupefort.

Het is dan pas in 1842 dat de konventuelen zich, op uitnodiging van kardinaal E. Sterckx, aartsbisschop van Mechelen, opnieuw in onze streken vestigden.  Op 20 september van dat jaar werd de akte van overdracht van de vroegere kerk en klooster van de recolletten (weer een andere tak van de franciscaanse orde) te Halle ondertekend.  Op 21 oktober daaropvolgend werd pater Innocentius Pamfili benoemd tot generale commissaris; vanaf 28 november woonden de konventuelen metterdaad in Halle.  Vóór 1857 hingen ze nog rechtstreeks af van het ordebestuur in Rome, maar sedert die datum waren Halle en Urmond, Nederlands Limburg (gesticht in 1854) één van de drie custodies van de "Oberdeutsche Minoritenprovinz".  Vanaf 1871 vormden de kloosters van Halle, Urmond en Brussel (gesticht in 1862) één Generaal Commissariaat en op 19 maart 1892 werd de aloude Luikse Sint Hubertusprovincie door Rome verklaard als hersteld te zijn.  Een vierde klooster was ondertussen gesticht te Leuven, eerst Naamse en daarna Tiense straat, op datum van 1873.  Als eerste provinciaal van de gerestaureerde provincie fungeerde pater Hyacint Intholt.

In november 1892 werd nog een tweede klooster te Leuven gesticht, in de Brusselse straat.  Vanaf 1915 zullen verschillende huizen opgericht worden in het gebied van het huidige Nederland, zoals Hoensbroek, Mariarade, Treebeek, Kaalheide, Wijnandsrade, Nunspeet, Amsterdam.  Tot aan het provinciaal kapittel van 1926 lag het bestuurscentrum in België, voor een groot gedeelte in Halle; daarna werd de provincie bestuurd vanuit Wijnandsrade, Nederlands Limburg.

In de tweede helft van de negentiende eeuw zijn verschillende van onze confraters gaan werken in de Verenigde Staten; deze pioniers liggen mede aan de oorsprong van onze Amerikaanse provincies.  Vanaf het begin van de twintigste eeuw werkten anderen in de gebieden Griekenland, Roemenië en Turkije, de zogenaamde "provincia Oriente".  In de zomer van 1909 reisden de eerste missionarissen af naar Lolland-Falster; in Denemarken werd zó een eigen gebied toevertrouwd aan de Luikse provincie.  En in 1937 werd er een ander eigen gebied opgestart in Buitenzorg, Nederlands Indië; sinds 1969 missioneren hier nog enkel onze confraters uit de provincie Bologna.

Op 4 oktober 1954 werden de huizen van het huidige Nederland afgescheiden van onze Luikse Sint Hubertusprovincie.  De Belgische provincie omvatte op dat ogenblik de kloosters van Halle, Brussel, Leuven (Tiense en Brusselse straat), Kessenich (gesticht in 1950) en Nakskov (Denemarken).  De eerste provinciaal was pater Henricus van Egmond; het provincialaat was gevestigd te Brussel.  Op dit ogenblik bestaat de provincie uit de huizen van Halle, Brussel, Leuven (Tiense straat) en Landen (begonnen in 1962).  De kloosters van Kessenich en Leuven (Brusselse straat) werden verkocht; de missie in Denemarken (Nakskov) wordt verzorgd door de Nederlandse provincie en sedert oktober 1993 ook vanuit de provincie "Consolatrix Afflictorum" in Amerika, namelijk Roskilde.  Wegens gebrek aan mankracht hebben wij op het provinciaal kapittel van 1983 de strategie voorgelegd een missie spiritueel en financieel te adopteren.  De op-te-starten missie van Kenya, door de Poolse confraters, werd zo met algemeenheid van stemmen aanvaard.  Het voorstel was voor de ganse orde het begin van de zogenaamde "affiliazioni-gemellagi" van missies en andere projecten.  Onze provincie behoort tot de Conferentie van Centraal Europa, samen met Kroatië en Slovenië, Duitsland, Zwitserland, Oostenrijk en Nederland; de statuten van deze conferentie werden goedgekeurd in 1973.

p.Mark Brusselaers, ofm.conv.

Up